Clynelish 1971 en T-Bone Burnett
Gisteren De Kleine Prins aan het werk gezien in Gent, een dijk van een concert. Ik ben absoluut geen fan van de muziek van Prince, maar wat een performer en wat een muzikant ook. Behoorlijk indrukwekkend feestje. Deze avond echter wentel ik me in subtiliteit en elegantie. Subtiliteit? Elegantie? Dan hebben we het toch wel over Clynelish zeker? Oké, oké, ik had ook een andere whisky kunnen nemen, maar ik heb nu eenmaal een zwak voor Clynelish, de keuze was dus evidenter dan het misschien lijkt. Clynelish en zeker oude Clynelish is zelden scherp of hoekig, integendeel, de combinatie van fruit, (bijen)was en romige zoete toetsen maakt het juist een erg toegankelijk profiel. Zacht, smeuïg, elegant, dit profiel moet het minder hebben van explosiviteit en kracht, maar meer van zijdezachte en gebalanceerde tonen. Subtiel en elegant dus, net als de muziek van T-Bone Burnett.
T-Bone Burnett, geboren in St. Louis als Joseph Henry Burnett, is een Amerikaans singer-songwriter en gitarist (er zijn trouwens maar weinig foto’s te vinden waar hij niet met z’n gitaar poseert), maar hij is waarschijnlijk bekender als producer, producer van albums en soundtracks. Artiesten die op hem een beroep deden zijn o.a. Elvis Costello, Los Lobos, Counting Crows, Natalie Merchant en Robert Plant. Qua films zorgde hij voor de geniale soundtracks van o.a. O Brother, Where Art Thou? (Grammy), Walk the Line en The Big Lebowsky. Hij won ook een Oscar voor beste song, The Weary Kind uit Crazy Heart.
Burnett speelde eerst in enkele bands, o.a. in The Alpha Band, dat hij oprichtte samen met David Mansfield en Steven Soles, die hun sporen verdiend hadden bij Bob Dylan. Vanaf 1980 ging hij solo. Zijn albums kregen altijd erg lovende kritieken maar verkochtten voor geen meter, zeker in Europa niet.
Ontdekken deed ik hem via Humans From Earth, een song uit de film Until the End of the World van Wim Wenders (ook een geweldige soundtrack trouwens). En de bovenvermelde films maakte me natuurlijk nog meer fan. Ik luister momenteel naar The True False Identity, een plaat uit 2006. Song als Earlier Baghdad (The Bounce) en There Would be Hell to Pay zijn echt parels. Subtiel en elegant, wel ja, het zijn eigenschappen die perfect toepasbaar zijn op deze muziek.
Ik drink bij dit album een subtiele en elegante Clynelish 1971 van Jack Wieber. Let op, dit vatnummer staat tweemaal vermeld in de Malt Maniacs Monitor, éénmaal onder het Premier Malts label en éénmaal onder het Auld Distillers label, mèt een ander alcoholpercentage.

Clynelish 32y 1971/2003, 54.2%, JWWW Premier Malts, cask 2704
Oké, even de neus in het glas steken maakt duidelijk dat dit weer een topper wordt. Een enorme fruitigheid (peer en veel tropische soorten à la mango, ananas, meloen en papaya), honing, bijenwas, zoethout, een klein beetje zilt, meer bloesems en heel lichte turf. Elegant, subtiel, complex en perfect gebalanceerd. De smaak ligt mooi in het verlengde van de neus. Sappig fruit (veel perzik hier), turf, zilt, bijenwas, pollen, honing (oké, bijenkorf – niet dat ik weet hoe bijenkorf smaakt, maar alla), noten, … van alles een beetje en niets dat de rest verdrukt. Lange, licht bittere afdronk op eik, pompelmoes en turf. Heerlijk. Man, wat hou ik van dit profiel! En van T-Bone Burnett. 92/100




Longrow 1987/2002, 55%, Samaroli, cask 115, 312 bottles
Bitterzoete neus op vanille, citroen, roze pompelmoes en groene appels. Ertussen priemt zilt en jodium, amandelen en versgemaaid gras. En natuurlijk ontbreekt ook de zachte turfrook niet. Krachtig op de tong, mondvullend. Een behoorlijke hoeveelheid turf, wat zilt, hars ook, vanille, honing, sinaasconfituur (best wat zoete tonen), citroen, gember en peper. Lekkere neus, maar ik vind de smaak nog beter. Lange, kruidige afdronk met een aangename bitterzoete fruitigheid. 91/100
Vandaag een avondje in het teken van complexiteit & gelaagdheid. Ik heb weken zitten wroeten op Eleonore, het tweede album van The Bony King of Nowhere (die in Gent door het leven gaat als Bram Vanparys), dat begin dit jaar gelanceerd werd. Zijn debuut Alas my Love vond ik erg sterk, deze tweede plaat kon mij na een eerste keer beluisteren maar matig boeien. Na een tweede en derde luisterbeurt vond ik het al iets beter, maar de muziek raakte me nog altijd niet. Nadat een kameraad mij dropbox-gewijze twee albums bezorgde, waaronder toevallig ook deze plaat, heb ik me nog eens aan Eleonore gezet. Zijn lofzang op de plaat deed me twijfelen. En, ik moet toegeven, hoe meer tijd ik Eleonore geef, hoe vaker ik een nummer beluister, hoe meer lagen er naar boven komen en hoe beter de plaat wordt. Vooral Some are Fearfull, maar ook Going Home, Here Them Calling en The Poet hebben zich in mijn hoofd langzaamaan omgetoverd van eerder lelijke eendjes tot sierlijke zwanen.


Guy Boyen… een man waar menig Belgisch whiskyliefhebber met enige weemoed aan terugdenkt. Een man met niet alleen een grote passie voor whisky, maar een grote passie voor het leven an sich. Ondertussen een kleine drie jaar geleden, maar vooral veel te vroeg van ons heengegaan. Desalniettemin blij hem gekend te hebben, drink ik deze Connemara – die hij nog zelf geselecteerd heeft voor zijn Tasttoe – op z’n nagedachtenis.




Hoog tijd voor een streepje muziek, was weer veel te lang geleden. Billy Bragg (op bijgaande foto: Jeroen Moernaut binnen 20 jaar), dat is jeugdsentiment maar toch ook nog veel actueel luistergenot. Ik had zonet het wondermooie Way over Yonder in the Minor Key spelen dat hij samen met Wilco opnam, een recenter nummer. Maar ik grijp zeker even graag terug naar z’n ouder werk. Zoals Back to Basics wat ik nu afspeel, een verzamelalbum van z’n eerste drie platen, uit 1987. Man, we worden oud…
Bragg’s muziekgenre laat zich niet eenvoudig omschrijven, hij is eigenlijk een genre op zich. De invloeden in z’n muziek komen zowel uit de folk als uit de punk. Zijn sociaal engagement vind je ook terug in z’n teksten. Deze zijn vaak maatschappij- en politiek-kritisch, hij schopt graag tegen de schenen van het establishment en vertegenwoordigers van het kapitaal. Laat ons zeggen dat hij zich perfect in z’n vel voelt als ‘working class hero’. Dit links engagement zorgde er trouwens voor dat Bragg één van de weinige artiesten was die tijdens de Koude Oorlog achter het Ijzeren Gordijn Gordijn kon optreden.




