Spring naar inhoud

Malts of Scotland, Luc’s choice – part II

Na de plaspauze – veel te veel water gedronken om die dekselse chipssmaken te neutraliseren – gingen we verder met twee Malts of Scotland die ik hier al eens eerder zij aan zij besprak, whisky’s waarvan ik het absoluut niet erg vond ze nog eens te kunnen proeven. Daarna volgde een nieuwe botteling, een Caol Ila, en afsluiten deden we met Luc’s recentste Glenfarclas.

 
Glen Scotia 37y 1972/2010, 45.1%, MoS, cask 1926, 114 bottles
Zie hiervoor mijn notes in bovenstaand link. De score blijft dezelfde, in dit rijtje scoort enkel de Glenfarclas heel nipt meer. Ik heb er lang over gedaan om uit te maken welke van deze twee ik de beste vond, twee compleet verschillende profielen maar beide absolute top, eigenlijk zou ik ‘m 92,5 moeten geven, het verschil is misschien geen heel punt. Prachtig oud Campbeltownprofiel. 92/100
 
Glengoyne 37y 1973/2010, 50.4%, MoS, cask 678, 97 bottles
Ook van deze was ik volledig weg, hij moest indertijd maar nipt voor de Glen Scotia onderdoen. Ook nu, hij nestelt zich mooi tussen de Glen Scotia en de Bunnahabhain in. Frisser (fruitig, floraal) en makkelijker dan z’n voorganger, minder complex, meer ‘direct’, maar o zo heerlijk direct. 91/100
 
Caol Ila 29y 1981/2010, 59.8%, MoS, cask 4807, 216 bottles
Dit is één van de nieuwe bottelingen. Petrolium, rook, plastic, niet meteen de beste neus ever. Maar dat is dan zonder water. Water toevoegen doet wonderen, een heel pallet een geuren komt naar voor. Zoet fruit, oesters, zilt, winegums, vanille, zoethout… complex. Zoete turf ook, zowel op de neus als op de smaak. Ik noteerde qua smaken nog drop (zoute drop) en het zoete fruit van de neus. Lange, fruitige en kruidige finish. A perfect swimmer, gaat van gesloten en niet aangenaam zonder water naar open en heerlijk mét. 89/100
 
Glenfarclas 41y 1968/2010, 49.7%, OB for Thosop, casks 702 & 5240, 318 bts.
Eindigen deden we dus met deze Glenfarclas, een whisky die al behoorlijk wat airplay heeft gehad maar waarbij ik voor de volledigheid nog vermeld dat het een vatting is van twee vaten die elk op zich hun kwaliteiten hadden maar ook hun mindere kanten. Samengevoegd bleken ze echter elkaars mindere kanten op te heffen, resulterend is een perfect huwelijk. Vat 702 is een first fill oloroso, vat 5240 een first fill fino. De complexe neus geeft donkere chocolade (waarvoor dank oloroso, maar zonder echt bitter te zijn, waarvoor dank fino), noten, hout (niet te veel, niet te weinig), fruit (zowel gedroogd als geconfijt fruit), kruiden, leder, een lekkere waxyness en nog heel wat meer. Na enige tijd krijg ik ook wat vegetale tonen (denk aan peterselie, en zeker ook munt). Een neus om van te genieten. Op de tong toont hij zich stevig, mondvullend en licht drogend. Veel kruiden, bessen, hout, koffie, de donkere chocolade, enzovoort enzoverder. Lange, droge, kruidige finish met ook het fruit dat nog de kop opsteekt. Vooral de neus van deze whisky is geweldig. 93/100
 
Voila, ik vond dit een mooie line-up. Buiten onze opwarmer was de jongste whisky 29 jaar oud, en toch had ik nooit het gevoel op een stuk hout te sjieken, het zijn stuk voor stuk zeer mooi gerijpte whisky’s die alle hun smaken perfect geïntegreerd hebben. Mijn top-3 bleek dezelfde te zijn als deze van de groep (alhoewel ze voor mij alle drie erg dicht in elkaars buurt liggen), nl.:

  1. Glenfarclas 1968
  2. Glen Scotia 1972
  3. Glengoyne 1973

Malts of Scotland, Luc’s choice – part I

Maandagavond stond een mooi rijtje Malts of Scotland op het Fulldram programma. Niet zomaar wat nieuwe bottelingen, maar het beste wat ze daar volgens Luc Timmermans in Paderborn in hun pril bestaan op fles getrokken hebben. Een beetje een ‘best of’ dus. Een groot deel kende ik al, wat de line-up alleen maar aantrekkelijker maakte.Vandaag en morgen lees je hier een verslagje van deze Malts of Scotland bloemlezing.

Bij binnenkomst kreeg ik een glaasje Charlepoeng in de handen geduwd, een bier van de biergilde Dijleland uit Huldenberg. Een erg lekker brouwsel. Fris, hoppig, licht bitter. Ook een ander, donker bier van dezelfde gilde, St. Roch kon gedegusteerd worden. Beide zijn te verkrijgen bij QV.ID van Koen Philips in Huldenberg. Koen z’n populariteit in de club verkent stilaan ongekende hoogtes.

Wat zeker ook niet onvermeld mag blijven bij deze tasting is de voorafgaande opwarmer. Bestuurslid Peter had immers een eigen(zinnige) tasting in elkaar geknutseld. Ieder kreeg een blad met 40 smaken (gaande van Heinz Ketchup over Babi Pangang tot RHAHG, ofte Rudi Heeft Achter de Haag Gekakt), tien (blinde) zakken chips gingen rond, aan ons om beide aan elkaar te linken. Nadien volgde een klassikale verbetering. Boeiend en bij momenten behoorlijk hilarisch. De beste scoorde 5/10, ik deed het met 3/10 nog zo slecht niet. Kebabchips, hoe kom je er op… Soit, na de – soms vrij degoutante – chipssmaken weggewerkt te hebben met brood, water of nog wat bier, was het hoog tijd om ons aan de whisky te zetten.

 
Glen First Class 2000, 50%, Malts of Scotland 2010
Om het pallet juist te zetten, had Luc de Glen First Class bij. Als je dat met een stuk in je voeten tracht uit te spreken, dan heb je meteen de naam van de distilleerderij. Samen met de Glen Peat Class zijn dat de twee instapmalts van Malts of Scotland, op de volgens hen ideale drinksterkte van 50%. De Glen First Class is een vatting van een 40-tal sherryvaten van het jaar 2000, op tienjarige leeftijd gebotteld. Lekkere whisky en voor 36 euro prijs/kwaliteit een koopje. Een ideale daily dram. De neus is zoet en fruitig. Ik schreef ananas, sinaas, amandelen, honing en marsepein op. De smaak is romig en vol, en moet het hebben van fruit, noten, koffie en tabak. Alles vrij zacht en ‘smooth’. Middellange, fruitige afdronk. 83/100
 
Deanston 33y 1977/2010, 43%, Thosop, handwritten label, 205 bts.
De eerste topper was een whisky waarvan maar weinig bottelingen bestaan, zeker onafhankelijk is er niet veel voorradig. En wat opzoekingswerk leert dat enkel James MacArthur en Cadenhead in het verleden Deanston 1977 hebben gebotteld. Nu ook Thosop. Deze werd dus door Luc onder zijn eigen ‘handwritten’ label gebotteld en niet onder dat van MoS. Let op: 43% is hier vatsterkte. De neus deed me denken aan één van de lekkerste taarten van onze bakker: Frangipanetaart met peer. Fris, zoet en zeer fruitig. Lekker! De smaak voegt daar nog wat kruiden, bijenwas en pompelmoes aan toe. Vrij korte, fruitige afdronk. Knappe vatselectie. 86/100
 
Bunnahabhain 43y 1967/2010, 41.1%, MoS, cask 3315, 147 bts.
Vat 3315 is een bourbonvat. En een vat waarvan de inhoud al serieus bejubeld is. Ik proefde hem al eens, maar had hem nog niet besproken. Complexe neus die erg discreet van start gaat en langzaamaan meer en meer prijs geeft. Ik had zowel fruitige, kruidige, florale als zoete toetsen. Ook wat lichte zilt. Mooie evolutie. Ook de smaak is complex, en romig, met fruit (citrus, ananas) en kruiden (zoethout o.a.) die de eerste viool spelen. Alles perfect vermengd met het hout. De afdronk is middellang en kruidig. Zalige, perfect gebalanceerde whisky. 92/100
 
En dan… dan was er nog een Auchentoshan. Een wreed lekkere Auchentoshan. Atypsich, maar bangelijk goed. Hierover echter later meer. Pauze. Morgen deel twee.
 

Bezoek aan Knockdhu

Er zijn weinig mensen die Knockdhu kennen. An Cnoc kennen ze wel, Knockando ook. An Cnoc is de naam waaronder de Knockdhu distilleerderij z’n whisky bottelt, Knockando is een andere Speyside distilleerderij en heeft hier dus niets te zien.

Knockdhu ligt in het Oosten van Speyside, ergens tussen Strathisla en Glendronach in. Haar geschiedenis gaat terug tot het jaar 1893. Een jaar voordien kocht een zekere John Morrison het landgoed Knock van de Duke of Fife, een stuk land waar hij verschillende waterbronnen ontdekte op de zuidelijke flanken van Knock Hill. Het water was zo zuiver dat het zich uitstekend leende voor het distilleren. Maar naast het water was er ook de nabijgelegen ‘Great North of Scotland’ spoorlijn (nu verdwenen) die Aberdeen met Elgin verbond, en stond de Moray regio bekend om z’n overvloed aan gerst en turf. Dit alles maakte Knock de ideale locatie om whisky te produceren. Morrison twijfelde niet langer en begon met de bouw van een distillerderij in mei 1893.
Algauw kon men starten met whisky te distilleren. De productie werd in de loop der jaren driemaal stilgelegd, eerste tijdens de drooglegging en kort daarna tijdens de Tweede Wereldoorlog, toen het een regiment van het Indische leger huisvestte. Onder het beheer van Scottish Malt Distillers, sloot Knockdhu in 1982 een derde maal, om in 1989 onder de nieuwe eigenaars, Inver House, de productie opnieuw op te starten. In 2000 werd de naam van de whisky veranderd in An Cnoc om verwarring met deze van Knockando te vermijden. An Cnoc is Gaelic voor ‘de heuvel’. De productie gaat voor een groot deel naar de reeds vermelde blends van de groep.

Gordon Bruce, distillery manager, wijdde ons met veel gedrevenheid in in de geheimen van Knockdhu. Ik heb al best wat distillery tours achter de kiezen, en ik moet zeggen dat ondanks het gebrek aan tijd, deze tour één van de beste was die ik al deed. Gordon ademt whisky, met een passie en een maniakale drang naar perfectie die ik maar zelden ben tegengekomen. Het feit dat hij een ingenieur is, zal niet vreemd zijn aan dat perfectionisme. Alleen al de trots waarmee hij vertelde dat hij enige tijd terug een heel bijzondere versnellingsbak uit Italië op de kop wist te tikken, met merkelijk betere prestaties en een hoger rendement dan deze die hij in Schotland voor handen had. Hij bouwde deze versnellingsbak om voor gebruik in de distilleerderij en wist zo energie te besparen en het distillatieproces een pak efficiënter te laten verlopen. Energiebesparing is trouwens hét modewoord in distillerend Schotland heb ik het laatste jaar mogen ontdekken. Soit, ik vond het een geweldige kerel. Hij startte trouwens in de whisky business in 1988 als mash man bij Pulteney, in 2006 werd hij aangesteld als manager van Knockdhu.

De foto hiernaast toont een impressie van de kiln van Knockdhu (ja oké, ik ben een freak, maar wees blij dat ik de rest niet publiceer), thans ongebruikt. Maar genoeg duiding, hoog tijd om het te hebben over de whisky’s die Gordon ons na de rondleiding liet proeven. Er stonden enkele standaardbottelingen te wachten, maar Gordon kon het niet laten ook in z’n kast met cask samples te duiken. Ik zei het al, een zalige gast.

 

An Cnoc New Spirit
Anders dan deze van Balblair, opmerkelijk anders. Minder mierzoet fruitig, eerder floraal. Graniger ook. Interessant.

 

An Cnoc 12y, 40%, OB 2010
Granige neus met een beetje fruit (gedroogd fruit). Suikerspin. Granen en citrus op de smaak. Wat honing. Korte afdronk. Nogal eenzijdig en niet echt my cup of tea.

 

An Cnoc 16y, 46%, OB 2010
Dit is beter. Meer fruit op de neus. Wit fruit. Kruidenthee, herbal. Stroperig en fruitig op de tong. Tarte Tatin. Middellange, zoete afdronk.

 
 

An Cnoc 1994, 46%, OB 2008
De neus start granig, met meer en meer karamel. Geroosterde en gesuikerde noten, wat rook van het hout. Niet slecht. Romige smaak op granen, gestoofd fruit en honing. Zoethout. Best lekker.

 

An Cnoc 1995, 46%, OB 2010
De opvolger van de 1994. Redelijk vergelijkbaar, misschien wat kruidiger. Kaneel schreef ik op. Het fruit hier is vooral citrus. Zoete en kruidige smaak. Vrij lange, kruidige afdronk met perzik. Mmm, ik heb een lichte voorkeur voor deze vintage, wat complexer.

 
 

An Cnoc 30y 1975, 50%, OB 2005
Dit was voor mij de ‘WTF? Is dit An Cnoc!?’ whisky. Geweldig lekker. Zoet, floraal. Vanille-fudge, zachte rook, en nog héél wat meer waar ik niet toe kwam. Zalige whisky, maar niet de beste van de tasting. Voor 140 euro echter zeer koopwaardig.

 

An Cnoc 20y 1990, 50%, cask sample, #1693
De eerste sample die we proefden (en waarvan ik iets noteerde) was vat 1693, versneden tot 50%. Ik had hier dezelfde herbal tonen als bij de 16y. Lekkere whisky.

 

An Cnoc 35y 1975, cask sample
En last but certainly not least, kregen we een sample uit een vat, afgevuld in 1975, voorgeschoteld. In lijn met de 30y maar meer fruit (tropical!), meer bloemen, eigenlijk gewoon meer van alles. Perfect gebalanceerd met het hout. Als dit ooit gebotteld wordt, moet en zal ik een fles zien te bemachtigen. Ik zou in ieder geval niet al te lang meer wachten met bottelen, ik kan me moeilijk voorstellen dat hij nóg beter wordt.

 

Bezoek aan Balblair

Balblair is misschien niet de meest sexy distilleerderij, maar als ik nog maar denk aan hun 1966 Spanish oaks, komt het water me in de mond. Zowel de 33y als de 38y zijn ronduit schitterende whisky’s. In ieder geval stond donderdagvoormiddag een bezoek aan Balblair gepland. John MacDonald, distillery manager, leidde ons rond in zijn speeltuin en liet ons enkele vintages proeven. Balblair brengt tegenwoordig trouwens enkel vintages uit, geen klassieke ‘leeftijden’ noch single casks. Het bezoek werd afgesloten met een copieuze lunch die ons sterkte voor de lange rit naar Knockdhu.

Balblair, gelegen in Edderton, Ross-Shire, is één van de oudste Schotse distilleerderijen, het werd opgericht in 1790 (Bowmore is bij mijn weten met 1779 de oudste), het is in ieder geval de oudste nog operationele Highland distillery. De man achter het project was John Ross, later opgevolgd door z’n zoon Andrew. Balblair bleef familiebezit tot 1894, toen het in handen kwam van Alexander Cowan. Het is deze Cowan die de distilleerderij herbouwde tot de huidige site. Na een lange sluiting, van 1915 tot 1947, werd de productie terug opgestart onder Robert ‘Bertie’ Cumming. Deze advocaat stond bekend als levensgenieter en niet vies van een drammetje, en meer dan één. Zo gaat het verhaal dat hij, na iets te diep in het glas gekeken te hebben, de pub waar hij consumeerde, opkocht en zich daar de dag nadien natuurlijk niets meer van herinnerde. Maar hij nam z’n verantwoordelijkheid op en maakte van de pub een succesverhaal.

Onder leiding van Bertie bloeide ook Balblair op: de distilleerderij werd uitgebreid, de productie gevoelig verhoogd. Bij zijn pensioen in 1970 verkocht Cumming Balblair aan Hiram Walker. Hiram’s bedrijf werd later opgenomen in de Allied Distillers groep, die het op zijn beurt in 1996 verkocht aan de huidige eigenaars, Inver House.
Vandaag de dag gaat ongeveer 15% van de productie naar single malt, de rest vooral naar de blends van Inver House, zoals daar zijn: Catton’s, Hankey Bannister, MacArthur’s, Glen Talloch en Pinwinnie Royal, én naar hun likeur genaamd Heatter Cream.

 

Maar laat het ons nu maar hebben over waar het hier toch om draait, den drank. Het water voor de whisky komt van de iets verderop gelegen Allt DeargIn bron, de gemoute gerst is zo goed als ongeturfd (1,5 p.p.m.) en heel het productieproces is – zoals het hoort nietwaar – zeer uitgekiend. Maar ik bespaar jullie alle technische details (ben zelf trouwens al een deel vergeten en ik heb nu ook weer niet alles genoteerd). Vermeldenswaard is misschien nog dat er drie stills in de gebouwen staan, maar daar zijn er nog maar twee van in productie.
In 2007 werd het aanbod volledig herzien, met een nieuwe vormgeving en een nieuwe bottelstrategie, de vintages. Dus geen ‘Elements’ meer, en ook geen ‘age statemets’ meer. Hieronder geef ik een overzicht van de vintages die we te proeven kregen. Om evidente redenen zijn de besprekingen eerder beperkt en om even evidente redenen niet vergezeld van een score.

 

Balblair New Spirit, 68.1%
Zoet (suikerspin) en zéér fruitig. Veel peer en ook wat appel. M.a.w., wat je kan verwachten van new spirit.

 

Balblair 2000, 43%, OB 2010
Dit is de opvolger van de 1997. Duidelijk gerijpte new spirit, waarmee ik bedoel dat je de new spirit herkent, maar dan een stuk ronder en voller. Nog steeds veel peer maar ook perzik en banaan, vanille en granen. Het wit fruit zit ook op de zoete smaak, naar het einde en in de afdronk is hij licht kruidig. Niet erg complex, maar foutloze en vlot drinkbare whisky.

 

Balblair 1997, 43%, OB 2009
Deze is een oude bekende en mijn kennismaking indertijd met de Balblair vintages. Ik ben er nooit écht fan van geweest, en ook nu kon hij me niet bijzonder bekoren, alhoewel hij bij sommige van mijn reisgenoten wel in de smaak viel. Deze whisky heeft een lichte, fruitige (ik denk aan Europees fruit) en florale neus. Zoete (honing) en licht bittere smaak. Kruiden. Maar alles is heel speels, licht en vluchtig, het geheel mist wat body.

 

Balblair 1989, 43%, OB 2010, 2nd edition
Maar dit is verdorie wel spek naar m’n bek! Ik scoorde de eerste editie 84/100, deze scoort zeker hoger. Lucas liet me hem de avond ervoor al proeven en hij is écht lekker. Veel complexer dan de 2000 en de 1997 met een heel delicate neus op zoete (karamel), fruitige (ananas, zelfs wat passievrucht) en florale (gedroogde bloemen, hooi) tonen. Licht waxy ook, wat voor mij toch altijd een meerwaarde betekent. De smaak is vol en romig, met naast het fruit (perzik en peer hier) en het zoets van de neus een zeer lekkere kruidigheid. Lange, volle en rijke afdronk. Prijs/kwaliteit vind ik dit een topper. Ja, u leest hier een kooptip (en nee, ik heb dit niet moeten beloven).

 

Balblair 1978, 46%, OB 2009, 3000 bottles
Eindigen deden we in schoonheid. Deze 1978 voegt nog een extra dimensie toe t.o.v. de 1989. Het fruit op de neus is hier gestoofd fruit (aardbeien en pruimen onder andere), de kruiden zitten ook hier al. Ik denk aan gember. Geconfijte gember. I love it! Honing, amandelen… o ja, hij evolueert ook erg mooi. Veel fruit en evenveel kruiden op de smaak, alles perfect in balans. Vrij lange, fruitige afdronk. Yep, deze is nog wat ‘dieper’ dan de 1989, nog wat expressiever ook. Maar je tast ook al wat dieper in de buidel natuurlijk, het is immers een whisky van meer dan 30 jaar oud. Een beauty.

 

Morgen (of overmorgen, al naargelang de goesting) lees je m’n verslagje van de namiddagactiviteit, ons bezoek aan Knockdhu en z’n An Cnoc whisky.

 

Blitzbezoek Schotland

Eind vorige week bracht ik een wel zeer kort bezoekje aan een regenachtig Schotland. Samen met negen andere bloggers was ik door Inver House (International Beverage) uitgenodigd om enkele van hun distilleerderijen te bezoeken. Inver House is eigenaar van de distilleerderijen Pulteney, Speyburn, Balblair, Knockdhu en Balmenach. Deze laatste brengt evenwel geen single malt whisky uit, er bestaan wel enkele onafhankelijke bottelingen van. Ook de vatted malt Blairmohr en enkele blends zoals Hankey Bannister en MacArthur’s zitten in hun portefeuille.
Woensdag stond Pulteney op het programma, maar daar kon ik helaas niet bij zijn omdat ik pas woensdagavond laat ter plekke geraakte (het probleem van te werken voor een baas), donderdag stond Balblair en Knockdhu op het programma. Omdat ik me vrijdag wel kon vrijmaken, heb ik er nog een half dagje Edinburgh aan vastgeplakt.

 

Na een reisje van een dikke twaalf uur met auto, vliegtuig, vliegtuig, taxi, trein, trein en nog eens taxi, arriveerde ik iets voor middernacht in het statige Morangie House Hotel in Tain en maakte kennis met mijn reisgenoten: Lucas & Chris van Edinburgh Whisky Blog, Jason van Guid Scotch Drink, Mark van het Whisky Whisky Whisky forum, Keith van Whisky Emporium, Matt & Karen van Whisky for Everyone, James van Scotch Odyssey Blog, Ben van Master of Malt Whisky Blog en Cathy James van Inver House. Nadien een slaapmutje (of beter, twee slaapmutsjes) en dan onder de lakens. Goed geslapen, mooi hotel… maar wat echter het meeste indruk gemaakt had die eerste dag, was de fish & chips tijdens het wachten op de trein van Aberdeen naar Inverness.

Hoe je dat als Schot wekelijks, laat staan meermaals per week binnenkrijgt, het is me een raadsel. En ik die dacht dat vis eten gezond was. De vis, de fritten, alles druipend van het vet. Je kan het papier waarin alles gewikkeld is, nadien gewoon uitwringen. En dat vet is geen plantaardige olie, nee, puur varkensvet (lard). Je eet enkele happen en je zit meteen vol. En neen, de cheeseburger is geen alternatief… wat ze ginds een cheeseburger noemen, zouden wij omschrijven als cheeseburgerbeignets. De witte kleverige substantie die uit het vlees druipt moet dan doorgaan voor de kaas.

Soit, morgen en overmorgen ligt de nadruk op het lekkers, je leest hier dan een verslagje van de bezoeken aan Balblair en Knockdhu en mijn – soms verrassende – indrukken van hun whisky’s.

Glendronach 8y, import Ruffino

Een tweede sample van het Lindores Whisky Fest is de Glendronach 8y, een dumpy van eind jaren zeventig, geïmporteerd in Italië door Ruffino. Binnenkort zet ik me eindelijk ook aan de nieuwe bottelingen, die staan al een tijdje te wachten.

 

Glendronach 8y ‘Single Malt’, 45.4%, OB, 26 2/3 Fl. Oz, import Ruffino, end 1970’s
De neus is veel fruitiger dan je zou verwachten na een dikke 30 jaar op fles gezeten te hebben. Sappig, zoet fruit: meloen, mango, ananas, peer… njummie! Licht herbal, bloemen in volle bloei (zelfs wat stuifmeel), aangenaam maltig en een klein beetje rook van het hout. De smaak start wat droog, maar langzaamaan zet de fruitigheid van de neus zich ook door op de smaak. Hier wel meer kruiden, net als karamel en een heel lichte rokerigheid. Vrij lange afdronk in het verlengde van de smaak (droge start, opkomend fruit). Erg lekkere oude Glendronach. 89/100

Bruichladdich 17y, Moon import

De eerste sample vanop het Lindores Whisky Fest die ik kraak, is een oude (of wat had je gedacht) 17-jarige Bruichladdich, Moon import, geïmporteerd in Italië dus, ergens rond 1980. Begin jaren zestig distillaat inderdaad. Sample van Giovanni Guiliani.

 
Bruichladdich 17y, 43%, OB, Moon import, Italy +/- 1980, 75cl
De neus is erg clean, fris en olieachtig. Lijnzaadolie. Mineralen. Granen. Wat zilt ook, net als zeelucht en daarna fruit: peer, meloen, ananas… heel zachte assen. Ook de smaak is clean en olieachtig, op granen, suikerspin, mineralen (steentjes in je mond) en zilt. Gele appels. Een klein beetje turf. Middellange, zoet en zilte finish. Niet geweldig complex, maar zo’n fles is leeg voor je het beseft, kapt binnen als limonade (maar geef mij dan toch maar dit). 87/100

Glenlivet 14y 1995, Signatory

George Smith, eigenaar van Glenlivet was de eerste die een licentie aanvroeg onder de Excise Act – uitgevaardigd in 1823 – die het mogelijk maakte legaal whisky te produceren. Hij kreeg z’n licentie in 1824.
Smith kreeg echter heel wat tegenkanting van de illegale stokers en werd zelfs bedreigd met de dood. De Hertog van Gordon, vader van de Excise Act, gaf hem daarop twee geweren, welke vandaag te bezichtigen zijn in het bezoekerscentrum van de distilleerderij.

 
Glenlivet 14y 1995/2009, 46%, Signatory ‘UCF’, cask 144352, 767 bts
Sherryvat, gebotteld onder het ‘un-chillfiltered’ label. Kruidige sherryneus. Peterselie, oxo, kruidenbouillon, lichtjes zilt. Wat hout, karamel, noten, leder en woudvruchten. Ook wat eucalyptus. De smaak is droog en kruidig (zoethout, drop) met stilaan meer en meer fruit. Bessen, sinaas. Best lange, droge en licht fruitige finish. Redelijk complexe whisky, verre van slecht. 84/100

Rosebank 18y 1990, Chieftain’s

Rosebank sloot in 1993 de deuren en werd in 2002 door Diageo verkocht aan de British Waterways Board. Jaarlijks verschijnen er nog meedere onafhankelijke bottelingen van deze distilleerderij. Het wordt door sommigen als de beste Lowland malt beschouwd.

 

 

Rosebank 18y 1990/2008, 46%, Chieftain’s, sherry, cask 614, 312 bts.
Zachte en zoete neus. Ik heb geroosterde noten, honing en zoet fruit. Ananas, peer. Koffie met melk en suiker. Ook de smaak is zoet en fruitig maar vooral – en dat had ik niet op de neus – kruidig. Peper, gember, nootmuskaat. Een beetje hout, gedroogde abrikozen en dadels. Niet al te lange, bitterzoete afdronk. Lekkere Rosebank. 85/100

Mortlach 18y 1990, Hart Brothers

Mortlach is de oudste Dufftown distilleerderij, het kreeg z’n licentie in 1823, net voor Glenfiddich. Vandaag zit het in de portefeuille van Diageo.

 
Mortlach 18y 1990/2008, 46%, Hart Brothers, First Fill Sherry Butt
Een sherryneus met een stevige vegetale toets. Zowel groenten als kruiden. Een beetje zilt ook, tabak en rode bessen. Sulfer? Misschien, heel licht in ieder geval. Op de smaak vleessaus, oxo, wat hout, noten, vrij droog. Bosvruchten. Droge, licht bittere afdronk. Bwa, ik ben hier geen grote fan van, maar dit is zeker geen slechte whisky. Gebotteld onder het Finest Collection label, mmm. 78/100
 
En dit weekend… allen naar Leuven voor Spirits in the Sky!

Celtique Connexion ‘Affinage Vin de Paille’ 1994

Na de Affinage ‘Sauternes’ 1995 Speyside van Celtic Connection komt vandaag de ‘Affinage Vin de Paille’ 1994, Highland aan bod. Benieuwd of hij mij evenzeer kan bekoren.

 
Celtique Connexion ‘Affinage Vin de Paille’ 1994/2008, 46%, Celtic Whisky Companie, Highland, 328 bottles
Zware en scherpe sherryneus. Stevig verbrande karamel, tabak, espresso, rubber… wat herbal ook. Sulfer? Mmm, daar ben ik niet uit. Op de neus nog min of meer te doen, op de smaak heel wat minder. Het begin kan er nog mee door (vegetaal, toast, wat zoet) maar daara wordt hij erg droog. Te bitter, te veel hout. De afdronk is weliswaar redelijk lang maar droog. Zoet-kruidig. Zonder écht slecht te zijn, is dit – zeker op de smaak – absoluut niet mijn ding. 75/100

Clynelish 1992 Distillers Edition

Laat ons nog een Distillers Edition proeven, tevens een 1992, een Clynelish. Het dient gezegd, ik ben een grote fan van deze distilleerderij, maar gemiddeld genomen niet zo van de Distillers Editions (oké, er zijn de geweldige Lagavulins, goeie Caol Ila’s…). Deze Clynelish is gefinished (of ‘double matured’ beter gezegd) op Oloroso Seco vaten.

 

Clynelish 1992/2008 ‘Distillers Edition’, 46%, OB, Oloroso Seco, ref 171/3h
De neus is niet geweldig aromatisch. Ik heb granen, hooi, limoen, planten, een beetje bijenwas. Wat mineralig ook. Veel granen en hooi (richting gedroogde bloemen) ook in de smaak. Een beetje hout, vrij veel kruiden, suiker… het geheel is me toch wat te droog. Licht bitter. De afdronk is niet echt lang te noemen, kruidig en weinig boeiend. Al bij al een redelijk saaie whisky, een beetje een tegenvaller. Zelfde score als de Oban. 78/100

Oban 1992 Distillers Edition

Oban, gelegen in het gelijknamige havenstadje met zicht op het eiland Mull, is één van de oudste Schotse distilleerderijen. Het werd opgericht in 1794. Oban is vooral gekend als één van zes uit de eerste reeks Classic Malts van Diageo. De Distillers Edition die ik vandaag proef, werd gefinished op Montilla sherryvaten. Montilla is een Fino variant.

 

Oban 1992/2006 ‘Distillers Edition’, 43%, OB, Montilla Fino cask, ref. OD 155.FR
De neus start erg granig. Havermout, malt, muesli, dat soort zaken. Hij is ook zoet (vanille en honing) en na enige tijd komen er kruiden door. Kaneel. Rosemarijn. Zachte curry. Met wat goede wil kan ik ook een beetje fruit detecteren. Kruisbessen. Sinaas? En een lichte zeelucht. Aangename en redelijk complexe neus. De smaak vind ik iets minder. Hij is vrij droog, in eerste instantie op noten, hout, granen en kruiden. Kruidnagel. Daarna komen er toch ook wat zoete tonen opzetten, maar het (licht) bittere overheerst toch. Een hint (meer niet) van turf, eigenlijk vooral in de afdronk. Die afdronk is niet erg lang en droog. Gember, een klein beetje vanille, zilt en wat overrijpe sinaas. De neus is goed maar de whisky verliest het pleit op de smaak. 78/100

Glen Grant 37y 1970, Duncan Taylor for The Nectar

De naam Glen Grant verwijst naar de twee oprichters, James en John Grant. De distilleerderij, gebouwd in 1840, ligt in Rothes en aan de overkant van de straat bouwde de tweede generatie Grants, burgemeester James Grant jr., een tweede distilleerderij: Glen Grant 2. Deze laatste kennen we vandaag de dag als Caperonich.

 
Glen Grant 37y 1970/2007, 53.3%, DT for The Nectar, c3475, 139 bts.
Subtiele en complexe neus op verfijnde sherrytonen. Ik heb gedroog fruit (vijgen, pruimen), noten, tabak, tabaksrook, oud leder, zachte karamel, koffie, praliné en belegen hout. Zelfs een licht tropische toets. Een neus om van te smullen! Stevig en prikkelend op de tong. Gedroogd fruit, karamel, wat hars, munt, veel noten en meer en meer hout. Wordt op de duur nogal droog (kost een puntje of twee). Lange, intense, kruidige afdronk. Kaneel. Maar ook hier wat te droog om nog hoger te scoren. Het blijft evenwel een héél lekkere whisky. 89/100

Brora 27y 1981/2009, Duncan Taylor

Dit is een fel bejubelde Brora. Oké, dit is in zekere zin een pleonasme, maar Brora van begin jaren tachtig is over het algemeen toch van een minder niveau dan Brora van enkele jaren ervoor en bijlange niet meer van het niveau van begin jaren zeventig. Toch bestaan er enkele fantastische tachtigers, zie bijvoorbeeld ook de 18y 1981/1999 Old Malt Cask. Maar desalniettemin denk ik dat Brora op tijd gesloten werd. Er was natuurlijk Caol Ila dat de rol van geturfde-whisky-leverancier voor Diageo overnam, er was het asbest in de distilleerderij, maar – en dat is dan belangrijker voor de Brora liefhebbers – er was ook het gegeven dat de jaren zeventig Brora waarschijnlijk toch nooit meer terug ging komen. Ga er maar van uit dat Brora, indien nooit gesloten, vandaag de dag helemaal niet de reputatie zou hebben die het nu heeft.

 

 

Brora 27y 1981/2009, 51.3%, DT Rare Auld, cask 291, 330 bts.
Frisse, waxy en erg mineralige neus. Natte stenen, de geur na een zomerse regenbui, je kent dat wel. De geur van aarde ook. Dan de bijenwas dus, en kaarsen. Vervolgens zachte rook, citroen, groene appels, honing, bloemen, marsepein… complex. En verdomd lekker! Ook de smaak is fris en mineralig. De mineralen, de citroenen, de waxyness, de zachte, fruitige turf, wat kruiden… lekker indeed. Lange, mineralige afdronk met turf en kruiden. Zalige Brora. Dit profiel leunt veel dichter aan bij Clynelish (min de turf) dan bij jaren zeventig Brora. Die typische farmy notes ontbreken. 91/100

Bowmore 15y 1994, Murray McDavid

Deze whisky vermeldt op het label: Refill Sherry enhanced in Chateau Petrus casks. Klinkt alvast chique en veelbelovend.

 

Bowmore 15y 1994/2010, 50.1% , Murray McDavid Mission, 696 bts.
Cleane neus op zilt, iodium, zeewier (coastal dus), de schil van appelsienen, oud leder, een beetje tabak, turf natuurlijk, vanille, veel zoethout en wat peper. Aangename en vrij complexe neus. Op de tong is hij dik en romig, de smaak start zoet-kruidig. Peperkoek. Daarna krijg ik wat fruit (roze pompelmoes, mango) en het zilt van de neus. Zoute drop. Zachte rook. Lange afdronk in het verlengde van de smaak. Erg aangename whisky. 85/100

S.O.S. – Spirits of the Sea

Dit weekend, zaterdag 30 en zondag 31 oktober vindt in Koksijde de eerste editie van het Spirits of the Sea festival plaats. Het is een festival dat zich meteen behoorlijk ambitieus toont: je kan whisky’s ontdekken bij een pak exposanten (waaronder The Nectar, La Maison du Whisky België, Cinoco, Premium Spirits, Whisky Import Belux, Thosop en Jurgens Whiskyhuis), je kan masterclasses volgen (Private Bottling van Corman Collins, Malts of Scotland, Discover Japan, Initiatietasting, Koken met whisky, Cocktail academies, etc.), je kan er Islay whisky ice cream (!) proeven, je kan er andere spirits zoals rum, cognac of armagnac ontdekken,… de kans dat je je er gaat vervelen, lijkt me bijzonder klein. Er is een festivalbotteling, een Connemara single cask.
Luc Timmermans zal er ook drie gloednieuwe en in mijn ogen veelbelovende Malts of Scotland presenteren: een Port Charlotte 2002, een Caol Ila 1981 en een Ledaig 1998.

Een nieuw initiatief verdient altijd een hart onder de riem en vooral veel bezoekers, allen daarheen dus. De temperaturen zouden meevallen, je kan het uitstapje perfect combineren met een strandwandeling of samen met het gezin naar zee trekken (“hé schatje, hier is een whiskyfestival, wat een toeval”).

Goldlys 21y 1989 Sherry Wood

De Goldlys 1989 Sherry Wood die begin dit jaar het licht zag, is een mengeling van graandistillaten die gedurende 21 jaar rijpte op ex-sherryvaten.

 

Goldlys 21y 1989, 46%, OB 2010, sherry wood, 680 bottles
Zachte sherryinvloed op de neus met bitterzoete tonen. Gedroogd fruit (dadels vooral), veel granen (je ruikt de rogge), gesuikerde koffie, misschien wat karamel en een lichte kruidigheid (the herbal kind). De smaak is vrij droog en nogal éénzijdig droog: granen, hout en kruiden, weinig anders om het pallet wat meer in balans te trekken. Misschien een beetje fruit, maar minder dan op de neus. De afdronk is dan weer iets beter (iets meer fruit). ‘Niet slecht’ is hier de perfecte conclusie en dus midden in de ‘niet slecht’ categorie, zijnde de scores in de zeventig. Maar dan ook een stuk verwijderd van de categorie van de echt lekkere whisky’s, de scores in de tachtig. 75/100

Must read

Zondagnamiddag met een niet al te frisse kop maar een toch lichtjes euforisch gevoel het Lindores Whisky Fest achter me gelaten. Ik heb er een aantal sampleflesjes afgevuld en wat flessenresten gekocht. Daar zit o.a. tussen: Bruichladdich 15y ‘Mayflower ‘80’ Samaroli, Ardbeg 1975/1989 J. Gordon for Auxil, Glen Cawdor 32y 1951 Samaroli, Glenlivet Special Export Reserve 1970’s, Glendronach 8y 1972, Bruichladdich 17y Moon Import, een super bourbon van de jaren ’70… whisky’s die je hier vanaf midden november zal zien verschijnen. Ik heb eerst nog wat ander spul klaar staan dat ook schreeuwt op geproefd te worden.

Vandaag evenwel geen review, wel wat leesvoer: een Malt Maniacs E-Pistle van Kasper Valentin. Valentin studeert binnenkort af als Moleculair Bioloog en vanuit die achtergrond beschrijft hij – op moleculair niveau dus – hoe whisky z’n geuren en smaken krijgt en waarom twee verschillende whisky’s nooit hetzelfde kunnen smaken. Enorm leerrijk, een must read: The Chemistry of Whisky.

Twee Yoichi’s

Yoichi is één van de twee single malt distilleerderijen van de Nikka groep. Miyagikyo is de andere. Vandaag maak ik tijd voor de recentste versie van de standaard 10 jaar en voor een nieuwe vintage, dit keer een 1989.

 

Yoichi 10y, 45%, OB Nikka 2010
Frisse, levendige, wat prikkelende neus met fruit (ik denk aan witte perzik en meloen), wat kruiden en heel lichte turf. De smaak is zacht, romig en zoet (ik heb vanille en zachte karamel) met hier meer rook (eerder woodsmoke dan turf) dan in de geur. Een lichte kruidigheid ook, zeker naar het einde en verder door in de bitterzoete afdronk. Mooi gebalanceerde en makkelijk toegankelijke whisky. 81/100
 

Yoichi 1989, 55%, OB Nikka 2010, 2000 bottles
Dit is een mengeling van vier types single malt whisky van de Yoichi distilleerderij. Zowel licht als zwaar geturfde whisky gerijpt op opnieuw geschroeide (‘re-charred’) bourbonvaten, als niet geturfde whisky gerijpt op zowel nieuwe vaten als sherryvaten. 240 van de 2000 flessen voor de Europese markt. Stevige, complexe en volle whisky met op de neus gestoofd en gedroogd fruit (abrikozen, confituur), zachte turf, kruiden (gember, kruidnagel), heide, noten en granen. Natuurlijk ook redelijk wat hout, maar dat blijft mooi in balans met de rest. De smaak is licht kruidig en vertoont tonen van turf, houtskool, zoet fruit (pruimencompot), zachtzoet sherryhout, noten en peper. Het zoete en het bittere houden elkaar mooi in evenwicht. Vrij lange, wat vettige afdronk met wat hout, zoete turf en kruiden. Mooie whisky. 87/100