Spring naar inhoud

Posts tagged ‘32 yo’

Clynelish 1971 en T-Bone Burnett

Gisteren De Kleine Prins aan het werk gezien in Gent, een dijk van een concert. Ik ben absoluut geen fan van de muziek van Prince, maar wat een performer en wat een muzikant ook. Behoorlijk indrukwekkend feestje. Deze avond echter wentel ik me in subtiliteit en elegantie. Subtiliteit? Elegantie? Dan hebben we het toch wel over Clynelish zeker? Oké, oké, ik had ook een andere whisky kunnen nemen, maar ik heb nu eenmaal een zwak voor Clynelish, de keuze was dus evidenter dan het misschien lijkt. Clynelish en zeker oude Clynelish is zelden scherp of hoekig, integendeel, de combinatie van fruit, (bijen)was en romige zoete toetsen maakt het juist een erg toegankelijk profiel. Zacht, smeuïg, elegant, dit profiel moet het minder hebben van explosiviteit en kracht, maar meer van zijdezachte en gebalanceerde tonen. Subtiel en elegant dus, net als de muziek van T-Bone Burnett.

T-Bone Burnett, geboren in St. Louis als Joseph Henry Burnett, is een Amerikaans singer-songwriter en gitarist (er zijn trouwens maar weinig foto’s te vinden waar hij niet met z’n gitaar poseert), maar hij is waarschijnlijk bekender als producer, producer van albums en soundtracks. Artiesten die op hem een beroep deden zijn o.a. Elvis Costello, Los Lobos, Counting Crows, Natalie Merchant en Robert Plant. Qua films zorgde hij voor de geniale soundtracks van o.a. O Brother, Where Art Thou? (Grammy), Walk the Line en The Big Lebowsky. Hij won ook een Oscar voor beste song, The Weary Kind uit Crazy Heart.

Burnett speelde eerst in enkele bands, o.a. in The Alpha Band, dat hij oprichtte samen met David Mansfield en Steven Soles, die hun sporen verdiend hadden bij Bob Dylan. Vanaf 1980 ging hij solo. Zijn albums kregen altijd erg lovende kritieken maar verkochtten voor geen meter, zeker in Europa niet. Ontdekken deed ik hem via Humans From Earth, een song uit de film Until the End of the World van Wim Wenders (ook een geweldige soundtrack trouwens). En de bovenvermelde films maakte me natuurlijk nog meer fan. Ik luister momenteel naar The True False Identity, een plaat uit 2006. Song als Earlier Baghdad (The Bounce) en There Would be Hell to Pay zijn echt parels. Subtiel en elegant, wel ja, het zijn eigenschappen die perfect toepasbaar zijn op deze muziek.

 

Ik drink bij dit album een subtiele en elegante Clynelish 1971 van Jack Wieber. Let op, dit vatnummer staat tweemaal vermeld in de Malt Maniacs Monitor, éénmaal onder het Premier Malts label en éénmaal onder het Auld Distillers label, mèt een ander alcoholpercentage.

 

Clynelish 32y 1971/2003, 54.2%, JWWW Premier Malts, cask 2704
Oké, even de neus in het glas steken maakt duidelijk dat dit weer een topper wordt. Een enorme fruitigheid (peer en veel tropische soorten à la mango, ananas, meloen en papaya), honing, bijenwas, zoethout, een klein beetje zilt, meer bloesems en heel lichte turf. Elegant, subtiel, complex en perfect gebalanceerd. De smaak ligt mooi in het verlengde van de neus. Sappig fruit (veel perzik hier), turf, zilt, bijenwas, pollen, honing (oké, bijenkorf – niet dat ik weet hoe bijenkorf smaakt, maar alla), noten, … van alles een beetje en niets dat de rest verdrukt. Lange, licht bittere afdronk op eik, pompelmoes en turf. Heerlijk. Man, wat hou ik van dit profiel! En van T-Bone Burnett. 92/100

Glen Cawdor 1951

Vermits de Glen Grant 21y securo cap eigenlijk een herneming was, blijft de teller op 999 staan en is het vandaag pas echt aan nummer duizend. Geen nood, ook wat ik vandaag proef heeft genoeg adelbrieven om die eer te krijgen.
Glen Cawdor? Nooit van gehoord? Don’t worry, Glen Cawdor is geen distilleerderij, laat staan een actieve, het is een label van Samaroli. Er zijn meerdere whisky’s gebotteld onder dit label, in sommige gevallen met vermelding van distilleerderij, in andere gevallen zonder enige referentie. Er zijn enkele vrij legendarische bottelingen in dit laatste geval, o.a. de 1951 en de 1964. Het is de 1951 die nu in m’ glas zit. Merci beaucoup Patrick!

 

Glen Cawdor 32y 1951, 46%, Duthie for Samaroli, 120 bottles, 75cl
Neus: mmm, mellow… belegen, rond, romig, niks scherps. Hij start wel een beetje gesloten, heeft wat tijd nodig om al z’n geheimen prijs te geven, maar dan… wat een beauty! Hoe omschrijf ik dit? Uniek. In het begin heb ik honing, romige honing, vergezeld van hooi. Maar echt grassig is dit niet, daarvoor komt er na enige tijd teveel zoets en fruit door. Gestoofd fruit, rijpe kruisbessen, marsepein. Boter. Gezouten boter. Ja, wat zilte aroma’s, licht coastal. Kruiden ook, maar niet zo evident om te benoemen. Heide, dat zeker wel. Hoe langer hoe duidelijker. Boterbloemen misschien. Dju, deze neus laat zich moeilijk doorgronden. Een heerlijke, lichte rokerigheid. Op zich zegt het allemaal niet zo veel, maar dit is één van de boeiendste geuren dit ik de laatste tijd in mijn glas had. Smaak: jawel, de smaak moet niet veel onderdoen voor de neus. Hij is zowel zoet (de honing), als grassig (het hooi, de heide, gedroogde bloemen, linde…) en subtiel kruidig. Erdoorheen priemt iets zalig zilts en een beetje turf. My God, dit is goed. Afdronk: dat is het leuke aan dit soort whisky, er is ook nog een afdronk. Geen idee wat het is, maar het profiel doet me wel wat denken aan oude Talisker of oude Springbank. Of oude Highland Park? Zou ook kunnen. Die honing, die heide. Whatever, dit is bangelijk lekkere whisky. En niet dat ik al geweldig veel Springbank, Talisker of HP 1951 gedronken heb. Omzeggens geen. Talisker 1953 daarentegen… Highland Park 1955… zucht. Iemand uitsluitsel? 94/100

Glenlivet 32y 1977, Asta-Morris

Glenlivet verhuisde in 1858 naar z’n huidige locatie Minmore. Daarna rees de ster van deze distilleerder naar ongekende hoogtes, mede dankzij de exclusieve verdeling via Andrew Usher & Co. Usher is trouwens de vader van de consistentie in blends (altijd hetzelfde profiel trachten te behouden).
Vandaag proef ik een 1977 van het nieuwe Asta Morris label.

 

Genlivet 32y 1977/2010, 56.8%, Asta Morris, bourbon cask
Een neus die zeer mooi van start gaat op zoete en fruitige toetsen. Tuinfruit à la appels, peren en perziken. Daarna komt er een lichte grassigheid bij, net als vanille, cacao, boter en nootmuskaat. Bijenwas, wat nog meer naar voor komt met enkele druppels water. Leder dan ook. Perfect verweven. Een hint van cider is nog het vermelden waard. Net als bloemen en bloesems, alles erg elegant en subtiel. Stevig, romig, bijna boterig mondgevoel. Op de tong meer kruiden en eik, maar het fruit blijft prominent aanwezig, zeker met een beetje water. Qua kruiden denk ik aan kaneel, gember en wat peper. De eik is zacht maar zorgt toch voor de nodige pit. Vanille, cider (hoe langer hoe duidelijker), appelcompot en ook nog wat mandarijn. Middellange afdronk op vanille, appels, gember en zachte eik. Het label vermeldt dat the whisky will give the best of itself with some drops of water, en dat klopt als een bus. Mooi zonder water, prachtig mét. En niet te vergeten, dit is drinkbaar, bangelijk drinkbaar. Eigenlijk een ideale dagelijkse whisky. Met standing. 90/100

Craigduff

Craigduff is geturfde Glen Keith, bij mijn weten enkel door Signatory gebotteld. Naast de onderstaande 1973 is er nog een andere 1973 (vat 2514) door hen onder dezelfde naam op flessen getrokken. Signatory heeft trouwens ook een Glenisla op de markt gebracht, een nog zwaarder geturfd Glen Keith experiment.
Toen Signatory z’n eerste Craigduff 1973 bottelde, ging men er verkeerdelijk van uit dat het om geturfde Strathisla ging, maar nader onderzoek wees uit dat de whisky gedistilleerd werd op Glen Keith. Het label vermeldt dus een verkeerde distilleerderij.
Het experiment dat men op Glen Keith uitvoerde, was op basis van licht geturfde malt én zwaar geturfd water dat bij elke wash toegevoegd werd, à ratio van 10 gallons (een kleine 38 liter) per wash.

 

Craigduff 32y 1973/2005, 49.4%, Signatory Cask Strength Collection, sherry butt #2513, 566 bottles
Frisse, levendige en complexe neus. Cleane turf, geen medicinale elementen, wel veel bijenwas, honing, noten, vers gemaaid gras, composterend tuinafval (dat valt hier heel wat beter mee dan het zo neergeschreven overkomt), wat frisse kruiden ook (the herbal kind). Erg lekker! Op de smaak is hij stevig en mondvullend, waxy, licht rokerig en grassig. Het niveau van de neus wordt hier niet helemaal doorgetrokken, het frisse en zoete ontbreekt. Wat kruiden naar het einde, net als hars. Vooral het waxy karakter valt op. Middellange, eerder droge en kruidige afdronk. Van neus over smaak naar afdronk gaat het van heerlijk tot matig. 86/100

Craigellachie 32y 1973, Douglas Laing Platinum

Craigellachie is niet meteen de meest bekende, laat staan meest sexy distilleerderij. Sedert 1998 is het in handen van John Dewar & Sons (deel van de Bacardi groep), die ook MacDuff en Aberfeldy in portefeuille hebben. Craigellachie, gelegen aan de samenvloeiing van de Spey en de Fiddich, is misschien nog meer bekend van z’n hotel (mét indrukwekkende whiskybar) dan van z’n distilleerderij. En van de Speyside Cooperage natuurlijk. En van Macallan, inderdaad. Eigenlijk van heel wat… kortom, een must bij een bezoek aan Speyside.

 

Craigellachie 32y 1973/2005, 42.7%, Douglas Laing Platinum, 181 bts.
Zoete en grassige neus. Gedroogd gras, gaat richting hooi. Honing. Daarna fruit. Lekker, sappig fruit. Appels, appelsap. Vanille. Wat me ook opvalt, is de geur van geroosterde granen, het maken van muesli (dat is een jeugdherinnering). Natuuryoghurt, samen een ideaal ontbijt. Die neus is echt complex, er komt ook nog wat hout bij en een klein beetje hars. Ha, nu we het toch over bomen hebben: berkensap. Nog zo’n jeugdherinnering. Erg boeiende, lekkere, complexe neus. Op de smaak heb ik meer hout, kruiden, linde, munt en ook hier best wat fruit. Clementines, limoen. Honing, wat hars en een licht mineralige toets. Licht bitter op het einde en in de vrij lange, zoete, kruidige afdronk. Heerlijke genietwhisky, die blijft en blijft boeien. 89/100

En nog een Longmorn

Ook de Longmorn gebotteld door de Van Compernolle Whisky Club ter gelegenheid van het eerste Wild West Whiskyfest proefde ik reeds eerder, nl. tijdens de eerste editie van het festival. Nu dus sample-gewijs een tweede maal. Dit was trouwens één van de twee festivalbottelingen, de andere is een Royal Brackla 1998.

 
Longmorn 32y 1976/2008, 54.7%, V.C.W.C., Wild West Whiskyfest 2009, cask 5895, 125 bottles
Deze 32-jarige Longmorn heeft een zeer aangename, kruidige en wat ‘aardse’ neus (grond, het wroeten in de aarde) en een krachtige, filmende smaak – op fruit en kruiden – die misschien wel wat complexiteit ontbeert, maar de sterke afdronk (zoet, vol) maakt veel goed. Mmm, dit is een korte note, dit moet beter kunnen Johan. Eens kijken wat we nog uit neus kunnen halen. Buiten snot. Vleessaus? Ja, vleessaus. Leder ook en een beetje tabak. Banaan, en iets waxy. Schoensmeer. In de smaak moet ik ook nog een beetje zilt vermelden. Het zijn echter de neus en de afdronk die deze whisky tot een winnaar maken. 89/100